Terug naar Column index

Rol van MRI onderzoek bij monitoren van MS .

Wie ’n keer een MRI onderzoek heeft ondergaan, weet uit de informatiefolder dat de afkorting ‘MRI’ staat voor Magnetische Resonantie Imaging. Twee van de grondleggers van de medische toepassing van MRI waren de Amerikaanse scheikundige Paul Lauterbur en de Engelse natuurkundige Peter Mansfield. In 2003 ontvingen zij voor hun belangrijke werk de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde. MRI is een techniek waarbij door middel van een elektromagnetisch veld afbeeldingen worden gemaakt van (delen van) het lichaam. Vergeleken met de meeste andere radiologische technieken is het voordeel van MRI, dat de foto’s van een betere kwaliteit zijn. Dat geldt vooral voor afbeeldingen van grote hersenen, kleine hersenen, hersenstam en ruggenmerg, die samen het centrale zenuwstelsel vormen. Met klassieke röntgentechnieken was het centrale zenuwstelsel eigenlijk niet goed af te beelden, en moest men zijn toevlucht nemen tot indirecte methodes, zoals het inspuiten van lucht in de hersenholtes; een bewerkelijke en vervelende procedure. Een mogelijk nog groter voordeel van MRI is, dat geen gebruik wordt gemaakt van röntgenstralen, en MRI dus niet gepaard gaat met de schadelijke gevolgen daarvan. Daarom kunnen bij patiënten veel vaker MRI foto’s worden gemaakt dan röntgenfoto’s.  

Sinds begin jaren ‘90 is MRI onderzoek van de hersenen, en later ook van het ruggenmerg, een van de pijlers van de diagnose MS. Twee typen MRI foto’s zijn daarbij van belang: T2 opnamen en T1 opnamen. Ontstekingen en veranderingen in de myelinelaag (de isolatielaag rondom de zenuwvezels) zijn op T2 foto’s te zien als ‘witte’ plekken. Om in te schatten of deze zogenaamde T2 haarden inderdaad wijzen op MS, is het van belang te letten op hun vorm, hun grootte, hun plaats en het aantal. Sinds 2001 maken MRI afwijkingen deel uit van de MS diagnose criteria van McDonald. Neurologen zijn daarom vertrouwd met de beoordelingen van MRI foto’s wanneer zij op zoek zijn naar MS als oorzaak van iemands klachten of afwijkingen. Minder bekend is hoe MRI onderzoek kan worden toegepast om te monitorn wanneer de diagnose eenmaal is gesteld. 

Wie op http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed MRI’ en ‘multiple sclerosis’ intypt, zal zien dat er bijna 11.000 wetenschappelijke publicaties over dit onderwerp zijn verschenen. De eerste artikelen in 1982, zoals dat van Young en medewerkers in The Lancet over de MRI bevindingen bij 10 MS patiënten. Het zal duidelijk zijn dat niet alle 11.000 publicaties de rol van MRI bij de diagnose van MS tot onderwerp hebben. Een groot aantal artikelen handelt over andere belangrijke vragen, zoals: 

  • Welke MRI afwijkingen voorspellen bij iemand, die een eerste terugval (Clinically Isolated Syndrome, CIS) heeft doorgemaakt, een tweede terugval? 
  • Welke MRI afwijkingen voorspellen bij CIS en relapsing remitting MS (RRMS) op korte termijn een toename van klachten en beperkingen? 
  • Welke MRI afwijkingen voorspellen bij CIS en relapsing remitting MS (RRMS) op langere termijn een toename van klachten en beperkingen? 
  • Welke MRI afwijkingen kunnen bij patiënten, die met een ziekteremmend medicijn worden behandeld, voorspellen of het medicijn zal aanslaan? 
  • Welk type MRI foto’s (T2 en/of T1) kunnen het beste worden gemaakte om te monitoren hoe iemands MS zich ontwikkeld? 
  • Hoe vaak moeten MRI foto’s worden gemaakt om het beloop te monitoren? 

Honderden wetenschappers hebben sinds Lauterbur en Mansfield gezocht naar antwoorden op deze vragen. De vergaarde kennis is inmiddels zo omvangrijk dat we eerste antwoorden kunnen geven. Die antwoorden zal ik tijdens de a.s. National MS Dag met u bespreken.   

Terug naar Column index